D1.2 – Begrippen

Betalingsbalans
Een overzicht van alle betalingen aan het buitenland en alle ontvangsten uit het buitenland.


Europese Unie (EU)
Een groep Europese landen die samenwerken op gebied van economie en veiligheid.


Export
Ook wel uitvoer genoemd. Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland.


Exportwaarde
Ook wel uitvoerwaarde genoemd. Het bedrag dat we in totaal met de export verdienen.


Exportquote
De totale exportwaarde als percentage van het nationaal inkomen.


Exportsubsidie
De overheid geeft subsidie aan bedrijven, zodat ze kunnen blijven concurreren met het buitenland (ze kunnen dan hun prijzen verlagen).


Globalisering
De toenemende vrije wereldhandel. Dit is mogelijk door het openstellen van grenzen en nieuwe vormen van communicatie en transport.


Import
Ook wel invoer genoemd. Het kopen van goederen en diensten uit het buitenland.


Importwaarde
Ook wel invoerwaarde genoemd. Het bedrag dat we in totaal betalen voor de import van goederen en diensten.


Importquote
De totale importwaarde als percentage van het nationaal inkomen.


Internationale concurrentiepositie
De mate waarin een land in staat is om beter en/of goedkoper te produceren dan andere landen.


Invoerrechten
Een belasting op ingevoerde producten.


Internationale handel
Import en export. De handel tussen bedrijven uit verschillende landen.


Interne markt
Een gemeenschappelijke markt. Binnen de EU is er bijvoorbeeld vrij verkeer van goederen en diensten, personen en kapitaal.


Open economie
Een land met een hoge import- en exportquote (er wordt dus veel gehandeld met het buitenland).


Ruilvoet
De verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van importproducten.


Vrijhandel
Bedrijven uit verschillende landen mogen handelen met elkaar, zonder belemmeringen van de overheid.


Wederuitvoer
Goederen worden eerst ingevoerd en (na een korte bewerking) meteen doorverkocht aan het buitenland.