B2.1 – Samenvatting -> Verdwenen? (Biologe / Cellen / transport).

Cellen
Organismen zijn levende wezens die bestaan uit één of meer cellen. Organismen kunnen worden ingedeeld 4 rijken, namelijk: planten, dieren, schimmels en bacteriën. Ze hebben allemaal een aantal gemeenschappelijke kenmerken, zoals de vermogen om te groeien, te reproduceren en te reageren op hun omgeving.


Organismen kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: eukaryoten en prokaryoten.

  • Eukaryoten zijn cellen met een celkern en organellen die zijn omgeven door een celmembraan. Ze zijn groter en complexer dan prokaryoten en hebben meer genetische informatie. Planten en dieren zijn voorbeelden van organismen die eukaryotische cellen hebben.
  • Prokaryoten zijn cellen zonder celkern en organellen die zijn omgeven door een celmembraan. Ze zijn kleiner en eenvoudiger dan eukaryoten en hebben minder genetische informatie. Bacteriën zijn voorbeelden van organismen die prokaryotische cellen hebben

Planten en dieren
Planten en dieren zijn bekende voorbeelden van organismen. Planten zijn organismen die hun eigen voedingsstoffen kunnen maken uit simpele stoffen zoals koolstofdioxide en zonlicht. Ze hebben een celkern, celmembranen en andere organellen en hebben cellulose in hun celwanden.
Dieren zijn organismen die voedingsstoffen moeten opnemen uit andere organismen of afvalproducten. Ze hebben ook een celkern, celmembranen en organellen, en hebben meestal spieren en zenuwweefsel om te kunnen bewegen en reageren op hun omgeving.


Schimmels
Schimmels zijn eukaryotische organismen. Ze komen voor in verschillende vormen, zoals paddestoelen en gisten. Ze hebben geen celmembranen en hebben vaak een witte, spongyachtige structuur. Schimmels kunnen zowel autotroof als heterotroof zijn en kunnen zich op verschillende manieren vermeerderen, afhankelijk van de soort.


Bacteriën
Bacteriën zijn prokaryote organismen. Ze komen overal voor in de natuur en kunnen zowel in planten als in dieren voorkomen. Sommige bacteriën zijn pathogenen, wat betekent dat ze ziekteverwekkend zijn voor andere organismen, terwijl andere bacteriën nuttig kunnen zijn voor de mens, bijvoorbeeld door het helpen bij het verteren van voedsel of het produceren van medicijnen. Bacteriën hebben geen celkern en zijn dus prokaryoot.


Organisatie van dierlijke cellen
Een cel bestaat uit verschillende onderdelen, zoals het celmembraan, de celkern, ribosomen, het endoplasmatisch reticulum, het Golgi-systeem, lysosomen, mitochondriën en het cytoplasma.

  • Het celmembraan vormt de scheiding tussen de binnen- en de buitenzijde van de cel en bepaalt wat wel en niet naar binnen of naar buiten kan gaan.
  • De celkern bevat DNA en beheert de activiteiten van de cel.
  • Een celwand is een structuur die om de cel heen zit en de cel beschermt. Het is een harde, dikke structuur die zich om de cel bevindt en de vorm van de cel behoudt
  • Het ruwe endoplasmatisch reticulum (RER) is herkenbaar aan de ribosomen die aan het oppervlak gebonden zijn. Het RER speelt een belangrijke rol in de eiwitsynthese, omdat de ribosomen aan het RER eiwitten produceren die voor export naar andere delen van de cel of naar buiten de cel bestemd zijn. Het RER is ook betrokken bij de verwerking van bepaalde stoffen, zoals hormoonreceptoren en enzymen.
  • Het glad endoplasmatisch reticulum (SER) is ribosoomvrij en heeft een andere structuur dan het RER. Het SER speelt een belangrijke rol in de stofwisseling, omdat het betrokken is bij de synthese, afbraak en opslag van stoffen, zoals lipiden en koolhydraten. Het SER is ook betrokken bij de detoxificatie van de cel, omdat het giftige stoffen kan afbreken of verwijderen.
  • Het Golgi-systeem heeft drie belangrijke functies: het opslaan van stoffen, het afwerken van eiwitten en het vormen van lysosomen.
  • Lysosomen zijn blaasjes met enzymen die nodig zijn voor de vertering van moleculen in de cel.
  • Mitochondriën zijn organellen die energie produceren door verbranding van moleculen.
  • Het cytoplasma is de volledige inhoud van een cel, met uitzondering van de celkern. Het bestaat uit het cytosol (de grondvloeistof), de organellen en alle andere inwendige celcomponenten zoals eiwitten.

Organellen
Er zijn bepaalde organellen die niet in alle dierlijke cellen voorkomen. Sommige cellen hebben de behoefte om zich te verplaatsen, zoals zaadcellen die flagellen bevatten of pantoffeldiertjes die ciliën gebruiken om zich voort te bewegen. Er zijn ook organellen die uniek zijn voor plantencellen en dus niet voorkomen in dierlijke cellen, zoals chloroplasten, die nodig zijn voor fotosynthese in plantencellen. Plantencellen hebben ook een structuur genaamd vacuole, die een ruimte in de cel is die wordt begrensd door een semipermeabel membraan en stevigheid aan de cel geeft. Bovendien hebben plantencellen naast een celmembraan ook een celwand, die bestaat uit cellulose en om de cel heen ligt, en daarom als onderdeel van de tussencelstof in plaats van de cel zelf wordt gezien. Celwanden komen alleen voor bij planten, bacteriën en schimmels, niet bij dierlijke cellen.


Transport
Er zijn twee manieren waarop stoffen kunnen worden getransporteerd: actief en passief transport.
Actief transport vereist energie en vindt plaats tegen de concentratiegradient in, met behulp van transportenzymen. Een voorbeeld van actief transport is het transport van grote moleculen.
Passief transport beweegt stoffen van een gebied met een hoge concentratie naar een gebied met een lage concentratie en vereist geen energie.


Stoffen moeten in en uit cellen kunnen worden getransporteerd. Celmembranen zijn semi-doorlatend en laten alleen water en kleine moleculen door, maar geen grote moleculen of opgeloste stoffen. Dit betekent dat ze selectief doorlatend zijn en een transportfunctie vervullen. Anderzijds zijn volledig doorlatende membranen, zoals de celwanden in planten en schimmels, permeabel en laten alles door. Er zijn twee manieren waarop stoffen door membranen kunnen passeren: passief transport en actief transport. Passief transport vereist geen energie en actief transport wel.