E1.1 – Samenvatting

Van generatie op generatie

Bij mensen, dieren en planten speelt voortplanting een belangrijke rol. Hierdoor worden erfelijke eigenschappen van ouders doorgegeven aan hun kinderen of nakomelingen. Bij mensen gebeurt voortplanting door seksueel contact, waarbij een zaadcel van de man samenkomt met een eicel van de vrouw. Seksualiteit gaat niet alleen over het krijgen van kinderen. Het heeft ook andere functies, zoals plezier, verbondenheid en het ervaren van liefde. Hoe mensen hierover denken, kan verschillen. Dit hangt vaak af van de cultuur waarin iemand leeft, het geloof, de opvoeding of de eigen mening. Het is belangrijk om respect te hebben voor de verschillende opvattingen over seksualiteit.


Groeifasen van de mens

In het leven van een mens zijn er verschillende fasen van lichamelijke en geestelijke groei. De eerste fase is de babytijd. In deze periode groeit het lichaam snel. Daarna volgt de peuter- en kleutertijd. Kinderen leren dan lopen, praten en omgaan met anderen. In de kindertijd groeien kinderen verder en leren ze steeds meer, bijvoorbeeld op school. Tijdens de puberteit verandert het lichaam sterk. Jongens en meisjes worden dan geslachtsrijp. De geslachtsorganen zijn de primaire geslachtskenmerken en zijn vanaf de geboorte aanwezig. In de puberteit ontstaan ook de secundaire geslachtskenmerken, zoals baardgroei bij jongens of borstgroei bij meisjes. In de volwassenheid is het lichaam volgroeid. Dit is de periode waarin mensen kinderen kunnen krijgen. In de ouderdom wordt het lichaam weer wat minder sterk, maar geestelijk blijven mensen vaak nog goed leren, vooral door levenservaring.


Voortplantingsorganen bij de vrouw en de man

Bij vrouwen zorgen de voortplantingsorganen ervoor dat er elke maand een eicel kan rijpen. De eierstokken maken de eicellen en de hormonen die nodig zijn voor de cyclus. Na het rijpen komt de eicel in de eileider terecht. Hier kan de eicel worden bevrucht door een zaadcel. De baarmoeder is de plek waar een bevruchte eicel kan uitgroeien tot een baby. De vagina is de verbinding tussen de baarmoeder en de buitenkant van het lichaam. De grote en kleine schaamlippen beschermen de ingang van de vagina. De clitoris (kittelaar) is een gevoelig plekje, belangrijk bij seksuele opwinding.


Bij mannen worden de zaadcellen gemaakt in de teelballen, die in de balzak liggen. De bijballen slaan de zaadcellen tijdelijk op. Via de zaadleiders gaan de zaadcellen naar de prostaat en de zaadblaasjes, waar vocht aan de zaadcellen wordt toegevoegd. Samen heet dit sperma. Bij een erectie vullen de zwellichamen in de penis zich met bloed, waardoor de penis stijf wordt. Het sperma komt via de urinebuis naar buiten, door de eikel, het gevoeligste deel van de penis.


Seksualiteit, normen en waarden

Seksualiteit heeft verschillende functies. Het zorgt voor voortplanting, maar ook voor plezier, ontspanning, liefde en verbondenheid. Mensen denken hier niet allemaal hetzelfde over. In sommige culturen is seksualiteit vooral gericht op het krijgen van kinderen. In andere culturen of gezinnen speelt plezier of liefde een grotere rol. Wat iemand goed of fout vindt op het gebied van seksualiteit, hangt samen met normen en waarden. Normen zijn regels over hoe je je hoort te gedragen, waarden zijn de dingen die mensen belangrijk vinden, zoals trouw, liefde of respect.


Hoe werkt de voortplanting bij mensen?

De voortplanting bij mensen begint bij de menstruatiecyclus van de vrouw. Elke maand rijpt in een eierstok een eicel. De eicel springt tijdens de eisprong (ovulatie) uit de eierstok en gaat via de eileider richting de baarmoeder. Tegelijkertijd wordt het baarmoederslijmvlies dikker, zodat de eicel zich daar kan innestelen als zij bevrucht wordt. Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt het slijmvlies weer afgebroken en verlaat het het lichaam. Dit heet de menstruatie.


Bij de bevruchting versmelt één zaadcel met de eicel. Dit gebeurt meestal in de eileider. De bevruchte eicel begint zich snel te delen en vormt een embryo. Het embryo reist naar de baarmoeder en nestelt zich daar in het slijmvlies. Tijdens de zwangerschap groeit het embryo uit tot een foetus. De foetus ligt in vruchtvliezen en is omgeven door vruchtwater, dat zorgt voor bescherming. Via de navelstreng is de baby verbonden met de placenta (ook wel moederkoek genoemd). De placenta regelt het vervoer van voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen tussen moeder en kind.


De geboorte begint met indalen: de baby zakt dan naar beneden richting het bekken. Tijdens de ontsluiting openen de baarmoedermond en het geboortekanaal zich door weeën. Daarna volgt de uitdrijving, waarbij de baby geboren wordt met hulp van persweeën. Na de geboorte komt de nageboorte, waarbij de placenta en vruchtvliezen het lichaam van de moeder verlaten.


Bij tweelingen kan het gaan om eeneiige tweelingen, die ontstaan uit één bevruchte eicel die zich heeft gesplitst. Zij zijn genetisch identiek. Twee-eiige tweelingen ontstaan uit twee eicellen die tegelijk bevrucht zijn door twee zaadcellen. Zij lijken net zoveel op elkaar als gewone broers of zussen.


Prenataal onderzoek

Prenataal onderzoek is een onderzoek dat wordt gedaan tijdens de zwangerschap. Het doel is om te kijken of het ongeboren kind gezond is. Met prenataal onderzoek kun je soms al vroeg zien of er misschien problemen zijn, zoals erfelijke ziektes of afwijkingen bij de baby.


Er zijn verschillende soorten prenataal onderzoek:

  1. Echoscopie (echo): Hierbij wordt met geluidsgolven een beeld van de baby in de buik gemaakt. Een echo is veilig voor de moeder en het kind. De arts kan zo kijken hoe groot de baby is, of het hartje klopt en of alles er normaal uitziet.
  2. Vruchtwaterpunctie: Bij dit onderzoek wordt een beetje vruchtwater uit de baarmoeder gehaald met een dunne naald. In het vruchtwater zitten cellen van de baby. Die worden onderzocht om te kijken of er erfelijke afwijkingen zijn, bijvoorbeeld het syndroom van Down.
  3. Vlokkentest: Hierbij worden wat cellen uit de placenta (moederkoek) gehaald. Ook met deze cellen kan onderzocht worden of de baby een erfelijke ziekte heeft.

Hoe kun je zwangerschap voorkomen? (voorbehoedmiddelen)

Als mensen geen kinderen willen, kunnen ze gebruikmaken van voorbehoedmiddelen. Het condoom zorgt ervoor dat zaadcellen de eicel niet kunnen bereiken. Het beschermt ook tegen soa’s. De anticonceptiepil bevat hormonen die voorkomen dat er een eisprong plaatsvindt. Een spiraaltje in de baarmoeder zorgt ervoor dat een bevruchte eicel zich niet kan innestelen. Een pessarium sluit de baarmoedermond af, zodat zaadcellen niet bij de eicel kunnen komen. Sterilisatie is een definitieve vorm van anticonceptie. Hierbij worden de zaadleiders bij de man of de eileiders bij de vrouw afgesloten.


Voortplanting en groei bij zaadplanten

Niet alleen mensen, maar ook planten planten zich geslachtelijk voort. Bij zaadplanten gebeurt dit via zaden. De levenscyclus van een zaadplant begint met het ontkiemen van een zaadje. Daarna groeit het plantje verder en komt het tot bloei. Tijdens de bloei worden bloemen gevormd met meeldraden (mannelijk deel) en stampers (vrouwelijk deel). Door bestuiving komt het stuifmeel (de zaadcellen) op de stempel van de stamper terecht. Bij bevruchting smelt een zaadcel samen met een eicel in het zaadbeginsel. Daarna groeit er uit het zaadbeginsel een zaad, en uit het vruchtbeginsel ontstaat een vrucht met daarin de zaden.


Veel planten hebben manieren ontwikkeld om de winter te overleven. Sommige planten overleven als zaad, andere sterven bovengronds af en slaan reservestoffen op in hun wortels. Sommige bomen en struiken blijven in de winter boven de grond staan, met of zonder bladeren.


Planten kunnen zich niet alleen geslachtelijk, maar ook ongeslachtelijk voortplanten. Hierbij ontstaat een nieuw plantje zonder dat er bevruchting nodig is. Voorbeelden hiervan zijn stekken, uitlopers of bollen.