H1.1 – Samenvatting

Gedrag van mensen en dieren

Gedrag is alles wat een mens of dier doet. Dit gedrag ontstaat meestal als reactie op prikkels. Prikkels zijn signalen uit de omgeving of uit het eigen lichaam. Je kunt een prikkel niet altijd zien, maar je kunt het wel merken doordat iemand of een dier reageert. Die reactie op een prikkel noem je de respons.


Er zijn twee soorten prikkels: uitwendige prikkels en inwendige prikkels. Uitwendige prikkels komen van buitenaf, zoals licht, temperatuur of geluid. Inwendige prikkels komen van binnenuit, zoals honger, dorst of hormonen. Bijvoorbeeld: als je honger hebt (inwendige prikkel) en je ruikt eten (uitwendige prikkel), krijg je zin om te eten. Die reactie, dus dat je gaat eten, is de respons.


Soms is er een bepaalde prikkel die altijd een sterke reactie oproept. Dit noem je een sleutelprikkel. Een voorbeeld is een jong vogelkuiken dat automatisch begint te pikken tegen het rode vlekje op de snavel van de ouder, omdat dit voor het kuiken betekent dat er voedsel komt. Er bestaan ook supranormale prikkels. Dat zijn extra sterke prikkels die een nog sterkere reactie oproepen dan normaal. Denk bijvoorbeeld aan een vogel die liever op een groot nep-ei zit dan op zijn eigen ei, omdat het nep-ei groter is.


Ethogrammen

Gedrag kun je beschrijven en onderzoeken. Dat gebeurt bijvoorbeeld met een ethogram. Een ethogram is een lijst waarin precies staat welke soorten gedrag je kunt waarnemen, bijvoorbeeld eten, slapen, poetsen of vechten. Om te meten hoe vaak of hoe lang bepaald gedrag voorkomt, maak je een protocol. Hierin staat bijvoorbeeld per minuut welk gedrag is gezien. Dit kan tijdens een practicum, tijdens veldwerk in de natuur of met behulp van filmpjes.


Sociaal gedrag

In veel situaties is het belangrijk om gedrag goed te begrijpen. Denk aan consumentengedrag, waarbij bedrijven proberen mensen met reclame te beïnvloeden. Kleuren, muziek of geur kunnen dan als prikkels werken. Ook bij het houden van dieren, bijvoorbeeld in de landbouw, speelt kennis over gedrag een belangrijke rol. Een goede behuizing zorgt ervoor dat dieren hun natuurlijke gedrag kunnen uitvoeren, zoals scharrelen, rusten of sociaal contact hebben met soortgenoten.


Gedrag kan ook worden geleerd. Er zijn verschillende manieren waarop mensen en dieren leren. Inprenten gebeurt op jonge leeftijd in een korte periode, bijvoorbeeld als jonge ganzen de eerste bewegende persoon als moeder zien. Bij trial and error leren dieren door uitproberen en fouten maken. Een dier leert bijvoorbeeld dat een bepaald knopje indrukken leidt tot voedsel. Conditionering is leren door beloning of straf, zoals een hond die leert zitten omdat hij dan een koekje krijgt.


Gedrag is soms aangeboren, dan noemen we het erfelijk gedrag. Dit gedrag zit al in het DNA en hoeft niet geleerd te worden. Een voorbeeld is het maken van een spinnenweb. Veel gedrag is echter aangeleerd, bijvoorbeeld fietsen bij mensen of jagen bij jonge leeuwen. Vaak is gedrag een combinatie van aangeboren en aangeleerd.


Bij dieren en mensen komt ook sociaal gedrag voor. Dit is gedrag tussen meerdere dieren of mensen. Binnen een groep kan er sprake zijn van taakverdeling, waarbij elk lid van de groep een eigen rol heeft. Dit zie je bijvoorbeeld bij mieren, bijen of wolven. Ook is er vaak sprake van rangorde: sommige dieren zijn de baas, anderen niet. Dreiggedrag en imponeergedrag helpen om de rangorde duidelijk te maken zonder dat er steeds gevochten hoeft te worden. Denk aan een hond die zijn tanden laat zien om indruk te maken. In de natuur zie je ook territoriumgedrag, waarbij dieren een eigen gebied verdedigen tegen indringers, vaak door zang, geur of vechtgedrag. Bij het zoeken van een partner spelen baltsgedrag en paringsgedrag een belangrijke rol. Na de paring kan er ook broedzorg zijn, waarbij ouders voor hun jongen zorgen. Verder is er voedingsgedrag, zoals zoeken naar voedsel, eten en drinken, en verzorgingsgedrag, bijvoorbeeld het schoonmaken van het eigen lichaam of het verzorgen van soortgenoten.


Bij mensen is sociaal gedrag vaak ingewikkelder, omdat we ook werken met normen, waarden en rolpatronen. Normen zijn regels over hoe je je hoort te gedragen. Waarden zijn dingen die we belangrijk vinden, zoals eerlijkheid of respect. Rolpatronen zijn afspraken of verwachtingen over wie welke taken doet, bijvoorbeeld binnen een gezin of op het werk.


Er wordt vaak gediscussieerd over de vraag of gedrag van dieren en mensen goed met elkaar te vergelijken is. Sommige gedragingen lijken sterk op elkaar, zoals samenwerking, zorg voor de jongen of rangorde. Toch zijn er ook belangrijke verschillen. Mensen denken bewust na over hun gedrag en maken afspraken over hoe ze met elkaar omgaan. Bij dieren is gedrag vaak meer instinctief, hoewel ook dieren kunnen leren. Een goed standpunt hierover onderbouwen betekent dat je voorbeelden kunt geven van overeenkomsten én van verschillen.