G1.1 – Samenvatting

Hoe beschermt het lichaam zich tegen ziekteverwekkers?

Elke dag komen er allerlei ziekteverwekkers ons lichaam binnen. Denk aan virussen, bacteriën, schimmels, maar ook aan lichaamsvreemde stoffen of cellen, zoals bij een verkeerde bloedtransfusie. Deze ziekteverwekkers en vreemde stoffen noem je antigenen. Antigenen zijn stoffen die niet in je lichaam thuishoren. Het lichaam herkent ze als ‘vreemd’ en komt in actie om ze te bestrijden.


De belangrijkste verdediging van ons lichaam tegen deze indringers is het afweersysteem (ook wel het immuunsysteem genoemd). Een belangrijk onderdeel van dit systeem zijn de antistoffen. Antistoffen zijn speciale eiwitten die de antigenen herkennen en zich eraan vasthechten. Hierdoor worden de ziekteverwekkers onschadelijk gemaakt of gemarkeerd, zodat andere afweercellen ze kunnen opruimen.


Zodra een ziekteverwekker het lichaam binnenkomt, reageren witte bloedcellen, met name de B-cellen. Die maken de juiste antistoffen aan tegen het specifieke antigeen. Dit proces heet de specifieke afweer, omdat het lichaam precies de juiste antistof maakt bij de juiste ziekteverwekker.


Hoe werkt het bij een besmetting?

Als je besmet raakt met een bacterie of virus, gaat je afweersysteem meteen aan het werk. Eerst proberen algemene afweercellen, zoals fagocyten (vreetcellen), de ziekteverwekkers op te ruimen. Ondertussen starten de B-cellen met het maken van antistoffen tegen het specifieke antigeen.


Bij de eerste keer dat je besmet raakt, kost het wat tijd voordat genoeg antistoffen zijn aangemaakt. Daardoor kun je ziek worden. Maar als je eenmaal hersteld bent, blijft een deel van de B-cellen als geheugencellen in je lichaam achter. Bij een volgende besmetting met dezelfde ziekteverwekker reageren deze geheugencellen snel en maken ze meteen antistoffen aan. Hierdoor word je niet meer ziek, of maar heel even. Dit noemen we immuniteit.


Niet alleen mensen hebben zo’n afweersysteem, maar ook veel dieren, zoals honden, koeien of kippen. Ook zij kunnen besmet raken en antistoffen aanmaken.


Antistoffen gebruiken bij onderzoek

Antistoffen zijn niet alleen belangrijk voor je eigen afweer, maar ze worden ook gebruikt bij onderzoek en in de gezondheidszorg. Een bekend voorbeeld is bij het bepalen van de bloedgroep. In het bloed zitten bloedgroepantigenen op de rode bloedcellen. Er zijn verschillende bloedgroepen volgens het ABO-systeem (A, B, AB of O) en daarnaast is er de resusfactor (resuspositief of resusnegatief). Als iemand een bloedtransfusie krijgt met bloed van de verkeerde groep, herkent het lichaam de bloedcellen als lichaamsvreemd en gaat het antistoffen maken tegen deze cellen. Dit kan gevaarlijk zijn, daarom is bloedgroepbepaling heel belangrijk.


Antistoffen worden ook gebruikt bij verwantschapsstudies, bijvoorbeeld om te onderzoeken of een jong dier echt van bepaalde ouders afstamt. Verder worden antistoffen gebruikt om onbekende ziekteverwekkers op te sporen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het testen op ziektes zoals corona, HIV of bij het controleren van voedsel op besmetting.


Hoe kan de bescherming van het lichaam worden verhoogd?

Je kunt het afweersysteem op twee manieren versterken: kunstmatig en natuurlijk.


Kunstmatige bescherming

  1. Actieve immunisatie: hierbij krijgt het lichaam een vaccin toegediend. In een vaccin zitten verzwakte of dode ziekteverwekkers, of stukjes ervan (bijvoorbeeld een eiwit van het virus). Hierdoor leert je lichaam om antistoffen te maken, zonder dat je echt ziek wordt. Het lichaam onthoudt hoe het de ziekteverwekker moet bestrijden, zodat je later goed beschermd bent als je de ziekte echt tegenkomt. Dit werkt lang, soms levenslang.
  2. Passieve immunisatie: hierbij krijg je kant-en-klare antistoffen via een injectie (bijvoorbeeld bij tetanus of na een beet van een giftig dier). Dit werkt direct, maar de bescherming blijft maar kort, omdat je eigen lichaam geen geheugencellen aanmaakt.
  3. Antibiotica: als je toch ziek bent geworden door bacteriën, kunnen antibiotica helpen om deze bacteriën te doden. Antibiotica werken niet tegen virussen, alleen tegen bacteriën.

Natuurlijke bescherming

  1. Als je een ziekte doormaakt en weer geneest, maakt je lichaam geheugencellen aan. Daardoor ben je de volgende keer sneller beschermd tegen dezelfde ziekteverwekker. Dit is natuurlijke actieve immuniteit.
  2. Moedermelk bevat antistoffen die een baby beschermen tegen infecties. Vooral bij jonge baby’s is dit belangrijk, omdat hun eigen afweersysteem nog niet volledig ontwikkeld is.

Problemen met het afweersysteem

Soms werkt het afweersysteem niet zoals het hoort. Dan ontstaan er problemen, zoals:

  1. Allergieën: Het afweersysteem reageert te heftig op stoffen die eigenlijk niet gevaarlijk zijn, zoals pollen, huisstofmijt of pinda’s. Het lichaam maakt antistoffen tegen deze onschuldige stoffen, waardoor er een allergische reactie ontstaat, zoals jeuk, niezen of benauwdheid.
  2. Transplantaties: Als iemand een orgaan krijgt van een donor, ziet het afweersysteem dit orgaan vaak als lichaamsvreemd. Het lichaam kan het orgaan aanvallen, waardoor het afgestoten wordt. Daarom krijgen mensen na een transplantatie medicijnen die het afweersysteem onderdrukken, zodat het nieuwe orgaan kan blijven werken.
  3. Auto-immuunziekten: Soms valt het afweersysteem per ongeluk het eigen lichaam aan. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij reuma, diabetes type 1 of multiple sclerose. Het lichaam maakt dan antistoffen tegen eigen cellen, terwijl die helemaal niet vreemd zijn.